
Column Solange Delnooz
Een appje op dinsdagochtend
‘Hee Solange, we willen je laten weten dat onze moeder dit weekend is overleden in hospice Rozenheul.’ Dit appje verschijnt in mijn scherm als ik dinsdagochtend mijn werktelefoon aanzet aan het begin van mijn nieuwe werkweek. Mijn gedachten gaan naar deze dappere vrouw waar ik drie jaar geleden voor het eerst kwam. Ik denk dat ik niemand zo lang heb mogen begeleiden als haar. Ze zat altijd in haar rolstoel bij het raam met uitzicht op haar fijne tuin en de buurtkatten. Ik dacht aan het hospice en de grote magnoliaboom die daar nu in de bloei staat. ‘Gecondoleerd met het overlijden van jullie lieve moeder, ik hoop dat ze de bloeiende magnolia nog heeft mogen meemaken,’ appte ik terug. ‘Jazeker, de dag voor haar overlijden heeft ze nog onder de boom gezeten.’ Wat een fijn idee dat dat haar laatste blik op de natuur is geweest. Ik vlieg nog even door wat berichtjes en ga dan op pad. Ik kan vandaag lekker op de fiets en geniet van de beginnende lente. Ik fiets over de oude brug, laat Arnhem-Noord achter me en ga richting Arnhem-Zuid.
De tuin van een ‘Solange-cliënt’
Mijn eerste huisbezoek is bij een cliënt die mij eigenlijk niet wil zien. ‘Palliatief klinkt zo vreselijk naar.’ De wijkverpleegkundige vroeg me toch naar haar toe te gaan. ‘Ze is echt een Solange-cliënt,’ zei ze. Als oplossing kom ik haar sondevoeding aansluiten. Ik fiets een pleintje op waar acht roze bloesembomen staan en ik neem even de tijd om door het roze bloesemdek naar de blauwe lucht te staren. Ik zie een rijtje keurige voortuintjes met betonnen stenen en zie meteen waar de ‘Solange-cliënt’ woont. Tussen die keurige tuintjes is een voortuin met twee grote dennenbomen, waaronder, voor wie het wil, zien een paradijsje is gebouwd. De één ziet er een rommelige bende, ik zie een wereldje waar iemand veel liefde in heeft gestopt en dat de afgelopen maanden niet meer kon. Als ik aanbel, doet er al vrij snel een lange dame open die me nors aankijkt en zegt: ‘Ik had de zorg afgebeld.’ ‘Ach, wat vervelend,’ zeg ik. ‘Maar wat een geluk dat ik toch even van uw paradijsje en die mooie bloesems heb mogen genieten. Wat heeft u hier veel liefde aan besteed.’ Haar ogen verzachten en er verschijnt een kleine glimlach. Ze begint te vertellen over haar tuin en houdt eigenlijk niet meer op. Ik stel voor om toch maar even binnen te komen. Anderhalf uur later vertrek ik met veel moeite naar mijn volgende afspraak. ‘Zie me als mens, Solange. Ik wil geen ziekte zijn.’
Een tuin vol herinneringen
Ik wil op de fiets stappen, maar hoor een berichtje binnenkomen. ‘Hee Solange, zie hier mijn voorjaarstuin, waai je binnenkort even aan om je boterhammetje bij mij in de tuin te eten?’ Ik zie de foto van de tuin waar de tulpenbollen in bloei staan en mijn gedachten gaan terug naar vorig jaar zomer. Het was augustus ‘23 dat ik voor het eerst voor de deur stond bij dit echtpaar. De dahlia’s bloeiden bij de voordeur en een stralende vrouw liet me binnen. Ze had alvleesklierkanker en nog maar kort te leven. Tegen alle verwachtingen in reageerde ze goed op de behandelingen en mocht ik 1,5 jaar met haar meelopen. Ik kwam altijd binnen via de voortuin, en ging naar buiten via de achtertuin waar we per seizoen even keken naar wat er bloeide. Afgelopen najaar ging ze achteruit en vertelde ze hoe gek het moest zijn dat de tulpenbollen die zij samen in de grond stopten, zouden uitkomen zonder dat zij ze zou zien. Een paar maanden geleden overleed ze en sindsdien houdt haar man me zo nu en dan met een berichtje op de hoogte van de tuin en het leven zonder zijn lieve vrouw. ‘Wat staat de tuin er mooi bij. Zodra ik een momentje heb, kom ik mijn boterhammetje in de achtertuin eten,’ app ik terug.
Zaadjes van herinnering
Mijn volgende huisbezoek is bij een echtpaar dat elkaar al sinds hun achtste kent. Ik kom voor haar, maar ze zijn eigenlijk beiden ziek. Ze zijn zo gewend elkaar overeind te houden dat het zoeken is hoe ik iets voor ze kan betekenen. De volkstuin van vroeger blijkt een aanknopingspunt om ze beter te leren kennen. De vorige keer lieten ze mij foto’s van hun huidige tuin in de zomer zien, en spraken we af de volgende keer even samen door de tuin te lopen. Ik hoop dat dat een motivatie voor ze is weer wat in beweging te komen. Als ik binnenkom, zie ik het al: het gaat niet goed met haar. Ze is erg benauwd maar heeft niemand willen lastigvallen. We maken samen een plannetje, en als ik weer wil gaan, staat meneer op. ‘Wacht nog even,’ zegt hij, en loopt naar de schuur. Hij komt terug met een boterhamzakje met daarin zaadjes van de lathyrus uit hun eigen tuin. Hij had onthouden dat ik de vorige keer vol was van hoe mooi ze op de foto waren. Ik bedank hem en streep in gedachten mijn zorgen over zijn cognitie af.
De daslook en het afscheid
Ik fiets weer terug, over de brug, naar Presikhaaf. Daar ligt een oude baas al maanden in zijn bedje, klaar met het leven maar het leven was nog net niet klaar met hem. Jaren geleden verzorgden we zijn vrouw tot haar overlijden. Hij liep toen druk door het huis, verzorgde de tuin en sprak vol liefde over zijn volkstuin. In de voortuin bloeien de narcissen, tulpen en witte daslookbloemetjes dankzij de liefdevolle hulp van zijn dochter, nu hij het zelf niet meer kan. Met hem gaat het altijd goed, ook al eet hij niet meer, mist hij zijn vrouw vreselijk en kan hij amper praten van de benauwdheid. Ieder voorstel slaat hij af, hij wil gewoon met rust gelaten worden en dat respecteren we. Als ik iets geleerd heb in dit vak, is het dat je je eigen ‘normaal’ opzij moet kunnen zetten. Als we naar buiten lopen, neem ik nog even de tijd voor zijn dochter en complimenteer ik haar voor haar zorgen voor haar vader, terwijl we de tuin bekijken. Als ik wil gaan, zegt ze: ‘Wacht even, ik geef je wat daslook mee voor in je tuin.’
Rond half zes kom ik thuis en geef ik de bolletjes meteen een plekje. De zaadjes moeten nog even wachten. Ik mijmer even over het idee dat het leven van deze cliënten zal gaan eindigen, maar ze een beetje voortleven in mijn tuintje.