“Zodra er vliegtuigen overkwamen, doken we de struiken in”

In september is het 75 jaar geleden dat de Slag om Arnhem woedde. Hoeveel impact dat op bewoners had, kan bijna niemand zich uit eigen ervaring voor de geest halen. Veel Arnhemmers werden tenslotte voortijdig geëvacueerd, de rest deed dat alsnog in de week daarna. Slechts een enkeling bleef achter. Een aantal bewoners van de DrieGasthuizenGroep herinnert zich de Slag om Arnhem. Kinderen waren het nog, toen de hel losbrak.

Corrie Verschuur (82)

“Ik hing altijd uit het raam, van ons bovenhuis in de Schilderstraat op Heijenoord. ‘Ga uit dat raam weg’, zei mijn broer. ‘Straks schieten ze je de kop van je romp.’ Ik ben opgegroeid in een heftig gezin, mijn ouders kregen zestien kinderen. Allemaal jongens en één meisje, dat was ik. Er werd nogal ruig met me omgesprongen, maar ikzelf was ook niet kinderachtig. Dus ik vond het onzin, die waarschuwing, ik hing toch altijd uit het raam? Ik zag ‘t wel als er Duitsers de straat inliepen. Vader gaf mijn broer gelijk. Met een fikse klap op mijn kont maakte hij één ding duidelijk: op moffen kon je nooit vertrouwen.

Ik ben opgegroeid in een heftig gezin, mijn ouders kregen zestien kinderen. Allemaal jongens en één meisje, dat was ik.

Toen operatie Market Garden begon kregen we het bevel te vertrekken. Mijn moeder lag nog in het ziekenhuis, was net bevallen van haar zoveelste kind. Ze was er slecht aan toen, kon niet voor de baby zorgen. Die werd, voor zolang het nodig was, aan andere mensen meegegeven. Wij vertrokken te voet richting Veenendaal, met moeder in een rolstoel. De route liep dwars door de bossen. Zodra er vliegtuigen overkwamen, doken we de struiken in. Het klinkt misschien vreemd, maar ik herinner me onze vlucht helemaal niet als angstig. Ik was acht en liep tussen alle jongens in. Er was geen paniek, ik voelde me heel beschermd.

We zijn ondergebracht in een school in Veenendaal, kregen een klaslokaal toegewezen. Daar brak een spannende tijd aan, er werden doorlopend jongens gerekruteerd om aan het werk te gaan. Vader wilde de boel bij elkaar houden, heeft als een leeuw voor zijn gezin gezorgd. Hij maakte een gat in de vloer van het lokaal, daar konden mijn broers en hij zich verstoppen als het nodig was.

Vader wilde de boel bij elkaar houden, heeft als een leeuw voor zijn gezin gezorgd

We hebben de hele evacuatietijd in Veenendaal doorgebracht en geen dag honger gehad. Vader had een bakfiets en reed met Chris, een van mijn broers, de dondersteen, langs alle boerderijen in de omgeving. Soms bleven ze een hele dag en nacht weg, altijd kwamen ze weer terug. Met een bakfiets vol eten. Mijn vader was schilder. Hij beloofde boeren in ruil voor eten na de oorlog van dienst te zijn, hun boerderij op te knappen. Die belofte heeft hij ingelost, hij is na de oorlog jaren bezig geweest in de omgeving rond Veenendaal.

Het verantwoordelijkheidsgevoel van mijn vader was ongekend. Hij had thuis achttien monden te vullen, maar nam in Veenendaal ook nog eens de zorg voor een tweede gezin op zich. In de school zat nog een groot gezin, een moeder met negen kinderen. Haar man was er niet meer bij. Ik weet niet of hij dood was of opgepakt. Het ging niet goed met de moeder, ze was zwak. Mijn vader heeft ervoor gezorgd dat ook haar gezin elke dag te eten kreeg.

Na de oorlog zijn we lopend naar Arnhem teruggekomen. Ons huis stond er nog, er mankeerde niets aan. Onze spullen waren er ook nog, behalve de oorbelletjes die ik op de schoorsteenmantel had gelegd. Ik zag ze later terug, een buurmeisje had ze in. ‘Die zijn van mij’, zei ik. ‘Niet waar, ik heb ze van mijn vader gekregen’, was het antwoord.

Na de oorlog zijn we lopend naar Arnhem teruggekomen. Ons huis stond er nog, er mankeerde niets aan

Eén broer, Gerrit-Jan, keerde niet meteen terug naar Arnhem, hij was door de Duitsers meegenomen. En paar maanden na de oorlog kwam hij aanlopen, hij had een Poolse vrouw bij zich, Liesbeth. Ik vond haar knap. Na enkele maanden stond de politie voor de deur, mijn broer was toen alweer aan het werk. Ze wilden weten waar hij was. ‘Hij werkt’, zei mijn vader. ‘Waar hij dat doet zeg ik niet, we zijn geen verraders. Of komen jullie voor Liesbeth? Die is allang terug naar Polen, met haar trouwt hij binnenkort.’

Eén broer, Gerrit-Jan, keerde niet meteen terug naar Arnhem, hij was door de Duitsers meegenomen.

Dat was een leugentje, maar uiteindelijk kwam het wel op trouwen aan. Al snel kregen ze een zoontje, Eddy. Een paar weken na de geboorte ging ik, op weg naar school, bij hen langs. Mijn broer was er niet, maar Liesbeth zag ik evenmin. Ik heb de hele dag gewacht en voor de baby gezorgd. Haalde bij de buren een flesje, knoopte hem een theedoek om als luier. Ik was een kind, had geen idee nog. Wat ik wel wist was dat een baby de hele dag alleen in huis niet kon. Liesbeth is niet teruggekomen, heeft nooit meer naar Eddy en mijn broer omgekeken. We hebben geen idee waarom.

Eddy heeft drie jaar bij ons gewoond, toen is hij opgehaald door de kinderbescherming. Ze vonden het niks, zo’n groot gezin en ook nog eens een peuter. Ik heb geschreeuwd, geslagen en geschopt, het hielp niks. Eddy ging naar een rijk echtpaar dat wél goed voor hem zou kunnen zorgen. Dat was pijnlijk. Mijn ouders en broer hebben niets meer vernomen over Eddy, alles werd zorgvuldig afgeschermd. Groot was de verrassing voor mij, vier jaar geleden. Toen nam Eddy’s vrouw contact met me op. Ze had droevig nieuws, Eddy was tijdens zijn werk als vrachtwagenchauffeur verongelukt. Toch vond ik het fijn om te horen dat hij jaren gelukkig is geweest. Dat hij trouwde en twee kinderen heeft gekregen.”

“Zodra er vliegtuigen overkwamen, doken we de struiken in”
Cliënten geven ons een 8.0
DrieGasthuizenGroep kreeg 596 waarderingen. 92% beveelt ons aan. Geef uw waardering zodat we onze zorg nog beter kunnen maken. Bekijk waarderingen